Het Leven van Alledag in Drieluiken en andere foto's

Fishes

Ze zijn niet aaibaar, maar ik ben al mijn hele leven een liefhebber van vissen. Als kind zat ik uren in slootjes te vissen op stekelbaarsjes en later op vorens en baarsjes. Prachtig, die gladde zilveren bewegelijkheid met de rode stekelige vinnen. Soms ving ik een glibberige kronkelende paling, die we, na een nachtje in de karnemelk, bakten. Bedacht door een topontwerper, die metaalkleurige beesten die simultaan door het water schieten. De stilte van het aan de waterkant zitten turen naar de op en onder gaande dobber, het roze strijklicht en de magie van het invallende duister, de zachte muziek uit het transistorradiootje en de slappe koffie uit de thermoskan, het crossen door de weilanden op de kleine fietsen en dat alles met mijn vrolijke grote broer Aat. Ik bestudeer op elke markt de vissen, ik kijk in iedere emmer van elke visser en innerlijk juich ik bij elke afgebeelde vis.

Fishmonger

De visverkoper heeft een wel hele grote vis, een zeebaars die voor de kust van Afrika zwemt en met uitsterven bedreigd wordt door de overbevissing van daar drijvende Aziatische visfabrieken. In Senegal heet een zeebaars een thiof, maar zo noemen ze daar elke vis. Als je in een restaurant vraagt wat voor vis er op je bord ligt, dan zeggen ze meestal “thiof”, ongeacht de vorm of de grootte.
Deze visverkoper vind ik onwijs cool, met zijn vele ringen, armbanden en de snelle zonnebril op het spijkerpetje. Hij stond met zijn koopwaar voor de supermarkt waar ik bier ging kopen en wilde wel poseren met zijn thiof. Het uitzonderlijke feit dat je hier bier kan kopen verklaart de best wel keurige muur van deze ’dure’ winkel, maar mijn kunstenaarsoog prefereert de afgebladderde muren van de volksbuurten, met de soms fraai geschilderde taferelen. Hier van Cheikhna Cheikh Hadrame, whoever that me be.

Girls

Ik vroeg of ik een foto mocht maken, van de gracieuze vrouw met de zware ingevlochten (kunst)haardos. Meestal reageren vrouwen in Senegal als door wesp gestoken, maar deze voelde zich wel vereerd. Wellicht omdat ze wel wist wie ik was; ik val met mijn witte benen nogal op in dat kleine zee-dorpje en ik was er al voor de 6e keer ofzo, mijn goede vriend E. woont daar. “Het leven is er een film”, roept E. altijd en zo is het, het leven is er een film. De mensen hebben niet veel, maar met wat ze wel hebben daar halen ze uit wat er in zit. Ze lachen en hebben een lichaam waar ze trots op zijn en dragen de kleurigste stoffen. Ze maken bij elkaar de mooiste kapsels, hun eenvoudige winkeltjes beschilderen ze tot kunstwerken en ze dansen de sterren van de hemel. Die kunst zijn wij hier kwijt.

La Habana

In 1511 werd Cuba een Spaanse kolonie, in 1989 werd het veroverd door de Verenigde Staten en in 1959 werd het een socialistische staat. Alle 3 de tijdperken zijn er nog zichtbaar aanwezig. De Spanjaarden bouwden het met op de suikerplantages verdiend geld vol met de prachtigste architectuur, de Amerikanen lieten er mooie automobielen na en door toedoen van het communisme van Fidel Castro werd de rijke erfenis van de Spanjaarden en Amerikanen door gebrek aan zowat alles één groot Glorieus Verval. Er is sinds 1959 haast geen huis meer gebouwd en men woont er met hele volksstammen in statige Spaanse huizen. De grote protserige barokke balkons hangen vol wasgoed en de mannen hangen er over de rand hun sigaar te roken en kletsen gemoedelijk met de mannen van de balkons aan de overkant. Het lijkt er nog steeds 1959, maar de tijd heeft diepe sporen nagelaten.